AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens termijnoverschrijding bij toevoegingsaanvraag
Appellant had bij de raad een aanvraag om een toevoeging ingediend die op 4 december 2012 werd afgewezen. Tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt, dat op 6 februari 2013 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank, die op 29 augustus 2013 het beroep ongegrond verklaarde. Appellant stelde daarop hoger beroep in bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of het hogerberoepschrift tijdig was ingediend. De uitspraak van de rechtbank werd aangetekend verzonden naar het adres van appellant, maar deze haalde de brief niet af bij PostNL, waardoor de termijn voor hoger beroep op 30 augustus 2013 begon te lopen en op 10 oktober 2013 eindigde. Appellant ontving pas op 20 februari 2014 een kopie van de uitspraak na een verzoek daartoe.
De Raad van State oordeelde dat het niet afhalen van de aangetekende brief voor risico van appellant kwam en dat de termijn niet opnieuw was gestart door de latere toezending. Omdat het hogerberoepschrift pas op 14 maart 2014 werd ingediend, was dit te laat. Er waren geen omstandigheden die het verzuim van appellant konden rechtvaardigen. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn voor het indienen van hoger beroep.
Uitspraak
201402183/1/A2.
Datum uitspraak: 24 september 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 29 augustus 2013 in zaak nr. 13/629 in het geding tussen:
[appellant]
en
het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).
Procesverloop
Bij besluit van 4 december 2012 heeft de raad een aanvraag van [appellant] om een toevoeging afgewezen.
Bij besluit van 6 februari 2013 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 augustus 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 september 2014, waar [appellant] is verschenen.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 6:7 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.
Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
Ingevolge artikel 6:11 blijftPro ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Ingevolge artikel 6:24 isPro afdeling 6.1, met uitzondering van artikel 6:12, van overeenkomstige toepassing, indien hoger beroep of incidenteel hoger beroep kan worden ingesteld.
2. De aangevallen uitspraak is op 29 augustus 2013 in het openbaar uitgesproken. Een afschrift van de uitspraak is op dezelfde dag, overeenkomstig artikel 8:37, eerste lid, van de Awb, aangetekend verzonden naar het door [appellant] in zijn beroepschrift van 11 februari 2013 vermelde adres [locatie] te [plaats]. Die brief is op 24 september 2013 bij de rechtbank retour ontvangen met het opschrift "niet afgehaald". Vervolgens heeft de griffier van de rechtbank het afschrift van de uitspraak dezelfde dag per gewone post naar hetzelfde adres verzonden.
Bij brief van 13 maart 2014, bij de Raad van State ingekomen op 14 maart 2014, heeft [appellant] hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van 29 augustus 2013.
3. De termijn voor het instellen van hoger beroep vangt aan op dag na bekendmaking op de voorgeschreven wijze van de uitspraak.
Ingevolge artikel 6:8, gelezen in verbinding met artikel 6:24 vanPro de Awb geldt als datum van bekendmaking van een uitspraak de datum waarop deze aan partijen is verzonden.
3.1. De Afdeling heeft [appellant] in de gelegenheid gesteld om de reden van de termijnoverschrijding mede te delen. [appellant] heeft bij brief van 18 maart 2014 te kennen gegeven dat hij eerst bij brief van 20 februari 2014 een afschrift van de uitspraak heeft ontvangen, nadat hij daar om had verzocht bij de rechtbank. Het laatste bericht van de rechtbank dat hij tot dan toe had ontvangen, is een brief van 5 maart 2013, zo stelt [appellant]. Hij voert aan dat, nu hij eerst de bij brief van 20 februari 2014 toegezonden uitspraak heeft ontvangen, het hogerberoepschrift van 13 maart 2014 tijdig is ingediend.
3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 augustus 2011 in zaak nr. 201007875/2/H2 en uitspraak van 23 juli 2014 in zaak nr. 201311078/1/A1 dient, indien een besluit of uitspraak aangetekend is verzonden en de belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, te worden onderzocht of het stuk door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden. Wanneer PostNL bij aanbieding van het stuk niemand thuis treft en daarom een afhaalbericht achterlaat, komt het niet ophalen van dat stuk bij het kantoor van PostNL voor rekening en risico van de belanghebbende.
3.3. Uit de sticker op de enveloppe, waarin de aangetekend verzonden uitspraak van de rechtbank was opgenomen, blijkt dat deze brief op 30 augustus 2013 tevergeefs is aangeboden op het in het beroepschrift vermelde adres te [plaats] en dat deze brief vervolgens niet door [appellant] is afgehaald op het kantoor van PostNL. [appellant] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld dat een afhaalbericht is achtergelaten. De enkele stelling van [appellant] dat hij in [plaats] boven een winkel woonde en dat op dat adres wel vaker poststukken niet zijn aangekomen, is daartoe onvoldoende. Er moet aldus van worden uitgegaan dat [appellant], ondanks dat een bericht is achtergelaten, heeft verzuimd de aangetekend verzonden brief op het kantoor van PostNL af te halen, hetgeen voor zijn risico komt.
Op dat moment stond [appellant] op het eerder vermelde adres te [plaats] in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven. De griffier van de rechtbank heeft, overeenkomstig artikel 8:38, eerste lid, van de Awb, het afschrift van de uitspraak op 24 september 2013 nogmaals, per gewone post naar dit adres verzonden.
Het moet er derhalve voor worden gehouden dat de uitspraak van de rechtbank op regelmatige wijze aan het adres van [appellant] is aangeboden.
3.4. De aangevallen uitspraak is, zoals hiervoor onder 2. vermeld, aangetekend verzonden op 29 augustus 2013, zodat de termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift op 30 augustus 2013 is aangevangen en op 10 oktober 2013 is geëindigd. Weliswaar is de uitspraak, na een verzoek daartoe van [appellant], op 20 februari 2014 nogmaals door de griffier van de rechtbank naar hem verzonden, echter daarmee is geen nieuwe hogerberoepstermijn aangevangen.
3.5. Het hogerberoepschrift is op 14 maart 2014 bij de Raad van State ingekomen en is derhalve niet binnen de termijn ingediend. [appellant] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat hij niet in verzuim is geweest. De enkele stelling van [appellant] dat hij de brieven van de rechtbank met de uitspraak niet heeft ontvangen, levert geen reden op om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
4. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.M.A. Koster, griffier.