ECLI:NL:RVS:2014:3524
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens termijnoverschrijding bij toevoegingsaanvraag
Appellant had bij de raad een aanvraag om een toevoeging ingediend die op 4 december 2012 werd afgewezen. Tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt, dat op 6 februari 2013 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank, die op 29 augustus 2013 het beroep ongegrond verklaarde. Appellant stelde daarop hoger beroep in bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of het hogerberoepschrift tijdig was ingediend. De uitspraak van de rechtbank werd aangetekend verzonden naar het adres van appellant, maar deze haalde de brief niet af bij PostNL, waardoor de termijn voor hoger beroep op 30 augustus 2013 begon te lopen en op 10 oktober 2013 eindigde. Appellant ontving pas op 20 februari 2014 een kopie van de uitspraak na een verzoek daartoe.
De Raad van State oordeelde dat het niet afhalen van de aangetekende brief voor risico van appellant kwam en dat de termijn niet opnieuw was gestart door de latere toezending. Omdat het hogerberoepschrift pas op 14 maart 2014 werd ingediend, was dit te laat. Er waren geen omstandigheden die het verzuim van appellant konden rechtvaardigen. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn voor het indienen van hoger beroep.