ECLI:NL:RVS:2014:3573
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.B.M. Hent
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vernietiging boetebesluit wegens onvoldoende bewijs zelfstandigheid vreemdelingen
De minister legde appellant een boete van €24.000,- op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), omdat drie Bulgaarse vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning werkzaamheden verrichtten. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant stelde dat de minister onvoldoende en onzorgvuldig onderzoek had verricht en dat de vreemdelingen hun werkzaamheden als zelfstandigen hadden verricht.
De Raad van State overwoog dat het bewijs van de minister onvoldoende was om aan te tonen dat de vreemdelingen onder gezag van appellant werkten. De verklaringen van appellant en de vreemdelingen toonden aan dat zij zelfstandig konden opereren, eigen tarieven bepaalden, meerdere opdrachtgevers hadden en meer operationele vrijheid genoten dan personeel in loondienst. De minister had onvoldoende gemotiveerd waarom deze omstandigheden niet relevant waren.
Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, de boete herroepen en de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep alsnog gegrond verklaard.
Uitkomst: Het boetebesluit van €24.000,- wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs dat de vreemdelingen niet als zelfstandigen werkten.