AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken zienswijzen bij besluit bodemverontreiniging
Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht stelde bij besluit van 18 december 2013 ernstige verontreiniging vast op een perceel zonder spoedige sanering noodzakelijk te achten. Appellant betwistte dit besluit en stelde dat hij telefonisch zienswijzen had ingediend op 31 oktober 2013.
De Afdeling bestuursrechtspraak onderzocht of appellant aan de vereisten van artikel 3:15 AwbPro had voldaan door zienswijzen schriftelijk of mondeling naar voren te brengen. Uit het verslag van het telefonisch onderhoud bleek echter dat appellant geen zienswijzen had geuit of dit had beoogd. Ook waren geen andere zienswijzen ingediend.
Daarom kon appellant redelijkerwijs worden verweten geen zienswijzen te hebben ingediend, waardoor het beroep op grond van artikel 6:13 AwbPro niet-ontvankelijk werd verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van ingediende zienswijzen.
Uitspraak
201401591/1/A4.
Datum uitspraak: 8 oktober 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te Utrecht,
en
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 18 december 2013 heeft het college op het perceel [locatie] een aantal gevallen van ernstige verontreiniging vastgesteld waarbij geen spoedige sanering noodzakelijk is.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep bij de rechtbank Midden-Nederland ingesteld. De rechtbank heeft het beroep naar de Afdeling doorgezonden.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 augustus 2014, waar [appellant], vertegenwoordigd door drs. C. van Oosten, en het college, vertegenwoordigd door mr. K. Winterink, advocaat te Den Haag, mr. K.J. Groote, drs. M. Linckens en N. Verkerk, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het bestreden besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
2. Ingevolge artikel 6:13 vanPro de Awb kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naarPro voren heeft gebracht.
3. [appellant] stelt dat hij op 31 oktober 2013 telefonisch zienswijzen naar voren heeft gebracht.
3.1. Ingevolge artikel 3:15 vanPro de Awb kunnen belanghebbenden bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren brengen.
Ingevolge artikel 3:17 wordtPro van hetgeen overeenkomstig artikel 3:15 mondelingPro naar voren is gebracht een verslag gemaakt.
3.2. Op 31 oktober 2013 heeft een telefonisch onderhoud plaatsgevonden tussen [appellant] en K.J. Groote, juridisch adviseur milieu bij de gemeente. Groote heeft daarvan een verslag gemaakt, dat zij [appellant] op die dag heeft toegestuurd. In dat verslag staat, voor zover hier van belang, het volgende: "Indien u het niet eens bent, vragen of opmerkingen heeft met betrekking tot de verontreinigingssituatie zoals deze is omschreven in de ontwerpbesluiten bodemverontreiniging [locatie] van 25 oktober 2013, kunt u deze vóór 6 december 2013 richten aan mij via onderstaand e-mail adres of telefoonnummer. (Indien u ook nog behoefte heeft aan een mondeling overleg kunt u dit tevens via mij aanvragen)".
Uit dit verslag kan niet worden opgemaakt dat [appellant] tijdens het telefonisch onderhoud mondelinge zienswijzen naar voren heeft gebracht en evenmin dat [appellant] dat heeft beoogd. Ook overigens zijn geen mondelinge of schriftelijk zienswijzen naar voren gebracht. Niet is gebleken dat [appellant] redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij geen zienswijzen naar voren heeft gebracht.
Het beroep is derhalve niet-ontvankelijk.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, griffier.
w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Van der Maesen de Sombreff