ECLI:NL:RVS:2014:3657
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek verbeurdverklaring dwangsommen bij Wbp-informatieaanvraag
De appellant verzocht de minister op 18 november 2012 om mededeling van zijn persoonsgegevens krachtens artikel 35 van Pro de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). De minister reageerde op 22 november 2012 met een brief waarin werd aangegeven dat de Wbp niet van toepassing was, wat door de rechtbank als een besluit werd aangemerkt. Vervolgens heeft de minister bij besluit van 27 maart 2013 alsnog medegedeeld welke gegevens van appellant zijn verwerkt en het verzoek om verbeurdverklaring van dwangsommen wegens niet tijdig beslissen afgewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat de brief van 22 november 2012 geen besluit was en dat daardoor niet tijdig was beslist, zodat dwangsommen verbeurd zouden zijn. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de brief wel een besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb, omdat het een weigering inhoudt om toepassing te geven aan de Wbp.
Hierdoor is tijdig op het verzoek beslist en is het verzoek om verbeurdverklaring van dwangsommen terecht afgewezen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.