201310434/1/V3.
Datum uitspraak: 29 januari 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 15 juli 2013 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 6 november 2013 in zaak nr. 13/18472 heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, zich onbevoegd verklaard van het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep kennis te nemen en het bij haar ingediende aanvullend beroepschrift naar de Afdeling doorgezonden. Deze uitspraak en dat beroepschrift zijn aangehecht.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De vreemdeling betoogt dat hij door het inreisverbod geen rechtmatig verblijf hier te lande kan hebben. Volgens hem is dit onwenselijk, nu hij in de asielprocedure hoger beroep bij de Afdeling heeft ingesteld.
1.1. Reeds nu de Afdeling bij uitspraak van 26 september 2013 in zaak nr. 201306211/1/V2 (aangehecht ter voorlichting van partijen) vorenbedoeld hoger beroep kennelijk ongegrond heeft verklaard, kan het betoog, wat daarvan ook zij, niet tot het ermee beoogde doel leiden. De beroepsgrond faalt.
2. Voorts betoogt de vreemdeling dat de staatssecretaris wegens humanitaire of andere redenen had moeten afzien van de uitvaardiging van het inreisverbod. Daartoe wijst de vreemdeling erop dat hij nimmer strafbare feiten heeft gepleegd, zodat de uitvaardiging van het inreisverbod van onnodige hardheid getuigt. Volgens de vreemdeling heeft hij zich nooit aan het toezicht onttrokken en zal hij dit ook niet doen. Voorts is de vreemdeling ervan overtuigd dat hij in zijn land van herkomst gevaar loopt en om die reden niet aan de terugkeer naar Afghanistan meewerkt. Ten slotte ondervindt hij door de afwijzing van zijn aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd psychische problemen, aldus de vreemdeling.
2.1. Ingevolge artikel 66a, achtste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 kan de staatssecretaris in afwijking van het eerste lid om humanitaire of andere redenen afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod.
2.2. Het betoog van de vreemdeling slaagt niet, omdat uit de formulering van deze bepaling volgt dat de staatssecretaris bij de toepassing hiervan beoordelingsvrijheid toekomt en de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden niet nopen tot de conclusie dat de staatssecretaris in redelijkheid van de uitvaardiging van het inreisverbod had moeten afzien. De beroepsgrond faalt.
3. Het beroep is kennelijk ongegrond.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Vonk, ambtenaar van staat.
w.g. Verheij w.g. Vonk
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2014
345-714.