ECLI:NL:RVS:2014:3698
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- G.M.H. Hoogvliet
- D.J.C. van den Broek
- Rechtspraak.nl
Vernietiging invorderingsbesluit dwangsom wegens onrechtmatige oplegging last onder dwangsom
Op 6 augustus 2012 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen mondeling een last onder dwangsom opgelegd aan appellant om werkzaamheden aan een pand te staken vanwege de aanwezigheid van asbest. Deze last werd later op 7 augustus 2012 schriftelijk bevestigd en een dwangsom van € 20.000,- opgelegd. Het college vorderde vervolgens de dwangsom in, omdat appellant de last niet zou hebben opgevolgd.
Appellant maakte bezwaar tegen de invordering van de dwangsom, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van appellant tegen deze beslissing eveneens ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de mondeling opgelegde last op 6 augustus 2012 geen besluit in de zin van de Awb was en dat een dwangsom pas kan verbeurd raken nadat een schriftelijke last onder dwangsom is opgelegd. Omdat de dwangsom ten onrechte werd verbeurd geacht, was het college niet bevoegd het invorderingsbesluit te nemen. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het besluit van 29 juli 2013 vernietigd en het invorderingsbesluit van 7 augustus 2012 herroepen.
Daarnaast werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellant. Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit.
Uitkomst: Het besluit tot invordering van de dwangsom wordt vernietigd en herroepen omdat de dwangsom niet verbeurd kon zijn vóór schriftelijke oplegging van de last.