ECLI:NL:RVS:2014:3714
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- K.J.M. Mortelmans
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing toevoeging voor buitenlandse civiele procedure wegens ontbreken Nederlandse rechtssfeer
De appellant verzocht om een toevoeging voor rechtsbijstand om een civiele procedure te voeren tegen een Belgische partij over de verkoop van aandelen in een Belgische vennootschap. De raad voor rechtsbijstand wees dit verzoek af omdat de zaak in het buitenland speelt en geen voldoende aanknopingspunten heeft met de Nederlandse rechtssfeer.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de appellant ging in hoger beroep bij de Raad van State. De Raad bevestigde dat het Nederlandse recht slechts subsidiair van toepassing is en dat de Nederlandse rechtssfeer niet zodanig wordt geraakt dat rechtsbijstand in Nederland gerechtvaardigd is.
De Raad overwoog dat de nationaliteit en verblijfplaats van appellant onvoldoende zijn om de Nederlandse rechtssfeer te bepalen, zeker gezien het feit dat in België kosteloze rechtsbijstand bestaat en appellant daar ook toevoegingen heeft ontvangen. Het betoog dat het Nederlandse recht op de overeenkomst van toepassing zou zijn, werd onvoldoende onderbouwd en is een zaak voor de Belgische rechter.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van de toevoeging voor rechtsbijstand is bevestigd omdat de zaak niet binnen de Nederlandse rechtssfeer valt.