ECLI:NL:RVS:2014:3747
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen boete Wet arbeid vreemdelingen
Bij besluit van 26 november 2013 legde de minister een boete van €64.000 op aan verzoekster wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen. Verzoekster maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van verzoekster tegen de boete eveneens ongegrond. Verzoekster stelde daarop hoger beroep in en verzocht de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak om een voorlopige voorziening te treffen, waarmee de rechtsgevolgen van de boete zouden worden opgeschort totdat op het hoger beroep was beslist.
De voorzitter behandelde het verzoek op 25 september 2014. Verzoekster stelde dat zij de boete niet kon betalen en dat invordering het voortbestaan van haar onderneming zou bedreigen. De minister verklaarde dat er nog geen invorderingsmaatregelen waren getroffen en dat een verzoek tot betalingsregeling nog in behandeling was. De voorzitter oordeelde dat het verzoek geen spoedeisend belang had en wees het af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
De uitspraak werd op 9 oktober 2014 in het openbaar uitgesproken door voorzitter H. Troostwijk, in aanwezigheid van griffier L. Groenendijk.
Uitkomst: Het verzoek om opschorting van de boete wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.