ECLI:NL:RVS:2014:3749
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen boete Wet arbeid vreemdelingen
De minister legde verzoekster een boete van €32.000,- op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen. Verzoekster maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, waarna zij beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank wees het beroep af. Verzoekster stelde hoger beroep in en verzocht de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening.
Het verzoek betrof opschorting van de rechtsgevolgen van de boete totdat het hoger beroep is beslist, met als grond dat betaling van de boete het voortbestaan van haar onderneming in gevaar zou brengen. Tijdens de zitting verklaarde de minister dat nog geen invorderingsmaatregelen waren getroffen en dat verzoekster een betalingsregeling had aangevraagd waarop nog een beslissing moest volgen.
De voorzitter oordeelde dat het verzoek het noodzakelijke spoedeisende belang ontbeerde en wees het verzoek af. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 9 oktober 2014 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tot opschorting van de boete wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.