ECLI:NL:RVS:2014:375

Raad van State

Datum uitspraak
30 januari 2014
Publicatiedatum
5 februari 2014
Zaaknummer
201311303/2/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • P.J.J. van Buuren
  • P. Klein
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen verwijdering uit tolkenbestand politie

Bij brieven van 22 juli 2013 heeft de korpschef aan verzoekers medegedeeld dat zij worden verwijderd uit het tolkenbestand van de politie. Tegen deze mededelingen maakten verzoekers bezwaar, maar deze werden niet-ontvankelijk verklaard. De voorzieningenrechter verklaarde de beroepen van verzoekers ongegrond. Verzoekers stelden daarop hoger beroep in en vroegen de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak om een voorlopige voorziening.

De voorzitter behandelde het verzoek op 16 januari 2014 en overwoog dat het oordeel voorlopig is en niet bindend in de bodemprocedure. Er werd twijfel geuit of de brieven van 22 juli 2013 wel als besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht kunnen worden aangemerkt. Tevens werd overwogen dat de korpschef geen bevoegdheid heeft om tolken uit het bestand te verwijderen, omdat deze bevoegdheid bij de minister van Veiligheid en Justitie ligt.

Desondanks kon het verzoek niet slagen omdat opname in het tolkenbestand niet automatisch betekent dat politie-instanties de tolken ook zullen inhuren. Gezien deze overwegingen wees de voorzitter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de verwijdering uit het tolkenbestand van de politie is afgewezen.

Uitspraak

201311303/2/A3.
Datum uitspraak: 30 januari 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende de hoger beroepen van:
[verzoeker A] en [verzoekster B], beiden wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 6 november 2013 in zaken nrs. 13/6193, 13/6194, 13/6868 en 13/6869 in het geding tussen:
[verzoekers]
en
de korpschef van politie.
Procesverloop
Bij onderscheiden brieven van 22 juli 2013 heeft de korpschef [verzoekers] medegedeeld dat zij worden verwijderd uit het tolkenbestand van de politie.
Bij onderscheiden besluiten van 28 oktober 2013 heeft de korpschef de door [verzoekers] daartegen gemaakte bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 6 november 2013 heeft de voorzieningenrechter de door [verzoekers] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben [verzoekers] hoger beroep ingesteld.
[verzoekers] hebben de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 16 januari 2014, waar [verzoekers], onderscheidenlijk bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. A.C. van der Bent, advocaat te Rotterdam, en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. W. Andelbeek, werkzaam bij de politie, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2. De verzoeken strekken ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de besluiten van 28 oktober 2013 worden geschorst in afwachting van de uitspraak op de ingestelde hoger beroepen en dat de korpschef wordt gelast [verzoekers] op te nemen en opgenomen te houden in het tolkenbestand van de politie.
3. De voorzitter twijfelt of de brieven van 22 juli 2013 zijn aan te merken als besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Op voorhand ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat dit niet het geval is.
Voor het geval deze brieven wel als besluiten zijn aan te merken, omdat deze, zoals [verzoekers] hebben betoogd, de uitoefening van een gepretendeerde publiekrechtelijke bevoegdheid inhouden, twijfelt de voorzitter of die stand kunnen houden, nu in de Wet beëdigde tolken en vertalers het waarborgen van de integriteit van tolken is opgedragen aan de minister van Veiligheid en Justitie en de korpschef ter zake geen bevoegdheid is toegekend. Ook in dat geval kunnen [verzoekers] met hun verzoeken evenwel niet bereiken wat zij daarmee feitelijk beogen. Dat zij weer in het tolkenbestand zouden zijn opgenomen, brengt immers niet met zich dat de politiekorpsen hen weer voor tolkwerkzaamheden zouden moeten inhuren.
4. Gelet hierop bestaat aanleiding de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.
w.g. Van Buuren w.g. Klein
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2014
176-741.