ECLI:NL:RVS:2014:3774
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit handhaving permanente bewoning recreatiewoning en vergoeding proceskosten
Bij afzonderlijke besluiten van 26 juni 2012 heeft het college van burgemeester en wethouders van Epe aan appellanten een last onder dwangsom opgelegd om de permanente bewoning van hun recreatiewoning te beëindigen. De rechtbank Gelderland verklaarde de beroepen van appellanten tegen deze besluiten ongegrond. Appellant B stelde hoger beroep in tegen het besluit dat zijn begunstigingstermijn regelde.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank het besluit aan appellant B ten onrechte in stand heeft gelaten, omdat het college ter zitting had aangegeven de begunstigingstermijn voor appellant B gelijk te stellen aan die van appellant A. Hierdoor werd het beroep van appellant B gegrond verklaard en het besluit vernietigd voor zover het de begunstigingstermijn betreft.
Verder stelde appellant B dat het college ten onrechte zijn verzoek tot vergoeding van kosten in de bezwaarfase niet had gehonoreerd. De Afdeling oordeelde dat de herroeping van het besluit van 26 juni 2012 het gevolg was van een aan het college te wijten onrechtmatigheid, waardoor vergoeding van de kosten gerechtvaardigd is. Het beroep tegen het besluit van 18 juni 2014 tot verlenging van de begunstigingstermijn werd ongegrond verklaard.
Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellant B voor zowel de bezwaarfase als de beroepsfase en tot vergoeding van het betaalde griffierecht. De overige onderdelen van de uitspraak van de rechtbank werden bevestigd.
Uitkomst: Het besluit van het college betreffende de begunstigingstermijn voor appellant B wordt vernietigd en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.