ECLI:NL:RVS:2014:3814
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing kindgebonden budget wegens ontbreken rechtmatig verblijf
De Belastingdienst/Toeslagen wees de aanvraag van appellant om kindgebonden budget af wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf in Nederland in de relevante periode. De rechtbank vernietigde een eerder besluit maar handhaafde de rechtsgevolgen. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, stellende dat de belangen van haar minderjarige kinderen onvoldoende waren meegewogen en dat bijzondere omstandigheden, zoals huiselijk geweld en schrijnende leefomstandigheden, een recht op kindgebonden budget rechtvaardigden.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het belang van het kind volgens het IVRK weliswaar betrokken moet worden, maar dat dit een terughoudende toetsing inhoudt en geen directe norm is voor toekenning. Daarnaast is het verstrekken van kindgebonden budget niet bedoeld om het bestaansminimum te waarborgen, waardoor artikel 8 EVRM Pro geen positieve verplichting tot verstrekking oplegt. Het discriminatieverbod uit artikel 14 EVRM Pro in samenhang met artikel 8 EVRM Pro werd eveneens niet geschonden, mede door het koppelingsbeginsel in de Vreemdelingenwet 2000.
De Afdeling concludeerde dat de Belastingdienst/Toeslagen zich voldoende rekenschap had gegeven van de belangen van de kinderen en dat de omstandigheden van appellant geen bijzondere omstandigheden vormden die een afwijking van het koppelingsbeginsel rechtvaardigen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van het kindgebonden budget bevestigd.