ECLI:NL:RVS:2014:3863
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing toevoeging rechtsbijstand bij versnelde invordering belasting
Appellante vroeg een toevoeging voor rechtsbijstand aan om verzet te voeren tegen twee dwangbevelen voor invordering van voorlopige belastingaanslagen 2012. De raad wees de aanvraag af omdat de gronden kennelijk van elke grond ontbloot zouden zijn, mede gelet op artikel 17 lid 3 Invorderingswet Pro dat bezwaar tegen de hoogte van de aanslag niet mogelijk is.
De rechtbank bevestigde dit oordeel en vond ook dat het verzet tegen het handelen van de ontvanger geen kans van slagen had, omdat de ontvanger handelde op basis van informatie uit een strafrechtelijk onderzoek en uit vrees voor verduistering.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt echter dat de gronden in verzet verder reiken dan alleen de hoogte van de aanslag en dat de raad onvoldoende inzicht had in de feiten en omstandigheden rond de versnelde invordering. De raad had het besluit niet in redelijkheid kunnen afwijzen. Het hoger beroep is gegrond, de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de raad worden vernietigd.
De raad wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij ook een vergelijkbare zaak moet worden betrokken. Tevens wordt de raad veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht.
Uitkomst: Het besluit van de raad voor rechtsbijstand tot afwijzing van de toevoeging wordt vernietigd en de raad wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.