ECLI:NL:RVS:2014:3999
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Y.E.M.A. Timmerman-Buck
- Rechtspraak.nl
Afwijzing handhavingsverzoek tegen plaatsen grofvuil naast ondergrondse restafvalcontainers
Appellant heeft bij het college van burgemeester en wethouders van Den Haag een verzoek ingediend om handhavend op te treden tegen het plaatsen van grofvuil naast ondergrondse restafvalcontainers in de Symonszstraat te Scheveningen. Nadat het college niet tijdig een besluit nam, stelde appellant het college in gebreke en diende beroep in bij de rechtbank. De rechtbank verwees de zaak door naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit prematuur en dus niet-ontvankelijk was, omdat appellant het beroep instelde voordat de wettelijke termijn was verstreken. Het beroep tegen het besluit van 7 mei 2014, waarin het college het handhavingsverzoek afwees, werd wel ontvankelijk verklaard.
De Afdeling overwoog dat appellant onvoldoende bewijs had geleverd dat het college ten onrechte het verzoek om handhaving had afgewezen. De foto’s die appellant overlegde, maakten niet aannemelijk dat er een overtreding had plaatsgevonden in de periode tussen het verzoek en het besluit. Bovendien wees het college erop dat sinds januari 2014 geen processen-verbaal waren opgemaakt en dat het vaak niet mogelijk was om de aanbieder van onjuist aangeboden grofvuil te achterhalen. Ook de stelling van appellant dat de gemeentelijke website bewoners onjuist zou instrueren, werd verworpen.
De Afdeling verklaarde het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit van 7 mei 2014 ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het handhavingsbesluit van 7 mei 2014 is ongegrond verklaard.