ECLI:NL:RVS:2014:4055
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsdocument gemeenschapsonderdaan wegens onjuiste uitleg verblijfsvereisten
De staatssecretaris weigerde op 26 juli 2012 een aanvraag van een Iraakse vreemdeling om afgifte van een verblijfsdocument als familie van een Nederlandse echtgenoot, op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling had zich op het Unierecht beroepen en stelde recht te hebben op verblijf als familie van een EU-burger die in België had gewerkt.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, maar de staatssecretaris ging in hoger beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank onjuist had geoordeeld door te stellen dat een verblijf van minder dan drie maanden in de gastlidstaat onvoldoende was voor een afgeleid verblijfsrecht. Uit jurisprudentie volgt dat een verblijf van minder dan drie maanden inderdaad onvoldoende is.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en stelde vast dat de staatssecretaris terecht het verblijfsdocument weigerde omdat niet aan de vereiste van minimaal drie maanden verblijf was voldaan. Wel werd het besluit van 14 december 2012 vernietigd wegens strijd met de Awb-procedure, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit van 14 december 2012 wordt vernietigd wegens procedurele gebreken, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.