ECLI:NL:RVS:2014:4106
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel Tamils uit Sri Lanka
Bij besluit van 8 november 2013 wees de staatssecretaris de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 10 juni 2014 het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris ging in hoger beroep bij de Raad van State. Hij voerde aan dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de veiligheidssituatie voor Tamils in Sri Lanka was verslechterd en dat niet iedere Tamil een reëel risico liep op een schending van artikel 3 EVRM Pro. De Raad van State bevestigde dit oordeel en verwierp de stelling van de vreemdeling dat hij persoonlijk een reëel risico liep op een schending van artikel 3 EVRM Pro.
De Raad van State stelde vast dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij in negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten stond of zal komen te staan, mede gelet op de overlijdensakten van zijn zus en vader die geen verband hielden met politieke vervolging. De Afdeling verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het afwijzingsbesluit gehandhaafd.