ECLI:NL:RVS:2014:415
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- J. de Vries
- Rechtspraak.nl
Bevestiging sluiting kamer wegens aanwezigheid harddrugs en bestuursdwang
De burgemeester heeft bij besluit van 28 maart 2012 een kamer gesloten voor twaalf maanden vanwege de aanwezigheid van 0,35 gram heroïne, vermoedelijk bestemd voor verkoop, in strijd met artikel 13b van de Opiumwet. De exploitant van het kamerverhuurbedrijf stelde bezwaar en beroep in tegen deze sluiting, maar zowel de rechtbank als de Raad van State verklaarden deze ongegrond.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting, omdat de aangetroffen hoeveelheid drugs, in combinatie met de feiten dat de huurder was aangehouden wegens handel in harddrugs en er handelshoeveelheden en versnijdingsmiddelen waren aangetroffen, duidden op verkoop, aflevering of verstrekking vanuit de kamer. De exploitant voerde aan dat de verkoop niet in of vanuit de kamer plaatsvond en dat geen overlast was vastgesteld, maar dit werd verworpen.
Verder stelde de exploitant dat de maatregel disproportioneel was en dat de burgemeester het gelijkheidsbeginsel had geschonden door in een ander geval niet tot sluiting over te gaan. Deze bezwaren werden eveneens verworpen omdat het beleid niet onredelijk was en verschillen tussen gevallen niet tot herhaling van fouten verplichten.
Ten slotte werd het verzoek om vergoeding van kosten voor het vervangen van het slot afgewezen omdat deze schade niet direct voortvloeide uit het besluit, maar uit de uitvoering van bestuursdwang. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de sluiting van de kamer wegens aanwezigheid van heroïne is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.