ECLI:NL:RVS:2014:4161
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- E. Steendijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak afwijzing verblijfsvergunning asiel ondanks overschrijding redelijke termijn
De vreemdeling heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, die door de staatssecretaris op 21 augustus 2013 is afgewezen. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep ongegrond. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
In het hoger beroep stelde de vreemdeling onder meer dat de redelijke termijn in de asielprocedure was overschreden, wat de rechtbank niet had beoordeeld. De Afdeling constateerde dat de procedure sinds het eerste beroep in 2009 tot de uitspraak van de rechtbank in 2014 ruim vier en een half jaar had geduurd, wat de redelijke termijn met zes maanden en een week overschrijdt. Deze overschrijding is volledig aan de staatssecretaris toe te rekenen.
Hoewel de overschrijding een schending van het rechtszekerheidsbeginsel inhoudt en aanleiding geeft tot een schadevergoeding, tast dit de rechtmatigheid van het besluit zelf niet aan. Daarom werd het hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De staatssecretaris werd veroordeeld tot betaling van € 1.000 aan immateriële schadevergoeding en tot vergoeding van proceskosten van € 730,50 aan de vreemdeling. De uitspraak werd gedaan door voorzitter Lubberdink en leden Steendijk en Verheij op 13 november 2014.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, met een schadevergoeding van € 1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.