ECLI:NL:RVS:2014:4204
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake kindgebonden budget 2010 en bevestiging overige besluiten
De zaak betreft het hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam waarin besluiten van de Belastingdienst/Toeslagen over het kindgebonden budget voor de jaren 2010 tot en met 2012 werden beoordeeld. De rechtbank had de besluiten van 19 juni 2013 en 29 juli 2013 vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit over 2010 in stand gelaten. Appellante betoogde dat zij aanspraak maakte op kindgebonden budget voor drie kinderen over de gehele jaren 2010 tot en met 2012, mede vanwege correcties in de gemeentelijke basisadministratie.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit over 2010 in stand hield, omdat de Belastingdienst/Toeslagen niet vasthield aan die rechtsgevolgen en het gebrek niet was hersteld. Voor de overige jaren en perioden was het beroep ongegrond, omdat de aanspraak op kindgebonden budget afhankelijk is van de betaling van kinderbijslag door de Sociale Verzekeringsbank, en de gecorrigeerde GBA-gegevens hier geen invloed op hebben.
De Afdeling bevestigde daarom de overige delen van de uitspraak en veroordeelde de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De zaak werd ter zitting behandeld op 20 oktober 2014, waarbij appellante en de Belastingdienst/Toeslagen werden vertegenwoordigd door advocaten.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard en het deel van de uitspraak dat de rechtsgevolgen van het besluit over 2010 in stand liet is vernietigd.