ECLI:NL:RVS:2014:4237
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.B.M. Hent
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen intrekking toelating kennismigrantenregeling
Bij besluit van 3 april 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel de toelating van appellante tot de kennismigrantenregeling ingetrokken. De staatssecretaris verklaarde het bezwaar tegen deze intrekking ongegrond en de rechtbank Den Haag verklaarde het daarop ingestelde beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang.
Appellante stelde dat vernietiging van de intrekking zou leiden tot een geldige verblijfsvergunning voor een vreemdeling die als kennismigrant bij haar werkzaam was, en dat die vreemdeling daardoor in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsvergunning regulier. De staatssecretaris stelde dat het salaris niet voldeed aan het looncriterium en dat de toelating tot de kennismigrantenregeling door de inwerkingtreding van de Wet modern migratiebeleid (Wet momi) van rechtswege was beëindigd.
De Afdeling oordeelde dat zelfs indien de beroepsgronden terecht waren, dit niet zou leiden tot herleving van de toelating tot de kennismigrantenregeling of erkenning als referent, omdat niet was voldaan aan het vereiste dat in het jaar voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wet momi een mvv of verblijfsvergunning was verleend. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep bevestigd.