ECLI:NL:RVS:2014:428
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat tegenwerping van het mvv-vereiste niet in strijd is met artikel 8 EVRM bij weigering verblijfsvergunning
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, die door de minister voor Immigratie en Asiel werd afgewezen op grond van het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). De rechtbank had het bezwaar van de vreemdeling gegrond verklaard en het besluit vernietigd. De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat er weliswaar sprake is van een familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro, maar dat de staatssecretaris het mvv-vereiste terecht heeft toegepast en dat het tegenwerpen hiervan niet in strijd is met artikel 8 EVRM Pro. De belangenafweging tussen het belang van de vreemdeling en het Nederlandse algemene belang bij een restrictief toelatingsbeleid is naar het oordeel van de Afdeling zorgvuldig gemaakt.
De Afdeling stelde vast dat de staatssecretaris het orthopedagogisch rapport en andere relevante omstandigheden in zijn besluit heeft betrokken. De stellingen van de vreemdeling, onder meer over psychische problemen van de kinderen en onderwijsvoorzieningen in Nigeria, waren onvoldoende onderbouwd. Het beroep van de vreemdeling op het arrest Ruiz Zambrano faalde omdat de kinderen niet zodanig afhankelijk zijn dat zij niet buiten de EU kunnen verblijven.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van de verblijfsvergunning gehandhaafd.