AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning uitbreiding melkveehouderij
Het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland heeft op 2 december 2013 een omgevingsvergunning verleend voor de uitbreiding van een melkveehouderij op een perceel te De Pol. Tegen dit besluit heeft een belanghebbende, hierna verzoeker, beroep ingesteld bij de rechtbank Overijssel, welke op 1 augustus 2014 het beroep ongegrond verklaarde. Verzoeker stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 6 november 2014 en oordeelde dat het verzoek een voorlopig karakter heeft en niet bindend is voor de bodemprocedure. De vergunninghouder maakt gebruik van de vergunning op eigen risico zolang deze niet onherroepelijk is. Er is geen sprake van zodanige dringende belangen bij verzoeker die het noodzakelijk maken om de vergunning te schorsen voordat de Afdeling uitspraak doet.
Daarnaast gaf de eigenaar van het melkveebedrijf aan dat de bouw van de bovenbouw van de stal wordt uitgesteld tot na de uitspraak in het hoger beroep. Gezien deze omstandigheden is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning is afgewezen wegens ontbreken van dringende belangen.
Uitspraak
201407591/2/A1.
Datum uitspraak: 19 november 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoeker], wonend te De Pol, gemeente Steenwijkerland,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 1 augustus 2014 in zaak nr. 14/175 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland.
Procesverloop
Bij besluit van 2 december 2013 heeft het college aan [melkveebedrijf] een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van de melkveehouderij op het perceel [locatie] te De Pol.
Bij uitspraak van 1 augustus 2014 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld. [verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 6 november 2014, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. J.M. Smits, rechtsbijstandverlener, en het college, vertegenwoordigd door ing. M. Betzema, werkzaam bij de gemeente, H. van Drongelen, werkzaam bij de gemeente Zwolle, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [eigenaar bedrijf], bijgestaan door mr. J.T.A.M. van Mierlo, advocaat te Zwolle, gehoord.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2. Het verzoek om voorlopige voorziening strekt ertoe dat het besluit van 2 december 2013 wordt geschorst totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de bodemprocedure.
3. Genomen besluiten zijn in het algemeen uitvoerbaar, ook als daartegen een rechtsmiddel is aangewend. Dit uitgangspunt geldt te meer indien, zoals in dit geval, de rechter in eerste aanleg het tegen het besluit ingestelde beroep ongegrond heeft bevonden. Daarbij geldt dat een vergunninghouder van een verleende vergunning op eigen risico gebruik maakt zolang deze niet in rechte onaantastbaar is, ook als een verzoek als thans aan de orde wordt afgewezen.
4. Voor zover de omgevingsvergunning van 2 december 2013 zich uitstrekt over het mestraffinagesysteem, ziet de voorzieningenrechter op voorhand geen reden om anders te oordelen dan de Afdeling bij uitspraak van 29 oktober 2013 in zaak nr. 201400399/1/A4 heeft gedaan.
Over de vraag of hangende de bodemprocedure aanleiding bestaat voor het treffen van de gevraagde voorziening overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van zodanig dringende belangen aan de zijde van [verzoeker] dat de uitspraak op het hoger beroep niet kan worden afgewacht. Daarbij wordt betrokken dat [eigenaar bedrijf] ter zitting van de voorzieningenrechter te kennen heeft gegeven dat de onderbouw van de stal gereed is en dat met de realisering van de bovenbouw zal worden gewacht totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan op het hoger beroep.
5. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Wijgerde, griffier.