ECLI:NL:RVS:2014:433
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat belangenafweging bij afwijzing machtiging voorlopig verblijf rechtmatig is
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf, die door de minister van Buitenlandse Zaken op 4 augustus 2011 werd afgewezen. Na een ongegrond verklaard bezwaar volgde een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het besluit vernietigde en de minister opdroeg een nieuw besluit te nemen. De minister, inmiddels staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De kern van het geschil betrof de belangenafweging die de staatssecretaris maakte op grond van artikel 8 EVRM Pro, waarbij het recht op eerbiediging van familie- en gezinsleven moest worden afgewogen tegen het Nederlandse belang bij een restrictief toelatingsbeleid. De rechtbank had geoordeeld dat de belangenafweging ondeugdelijk was gemotiveerd, mede verwijzend naar het arrest Nunez van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de situatie van de vreemdeling afweek van die in Nunez, onder meer omdat de vreemdeling niet gescheiden was van de vader van haar kinderen en het gezag over hen had. Ook was het terecht dat de staatssecretaris het meermalen plegen van strafbare feiten door de vreemdeling meewegde. De Afdeling vond dat de belangenafweging zorgvuldig en deugdelijk was gemotiveerd en dat van de kinderen redelijkerwijs kon worden verwacht dat zij hun moeder naar Kroatië zouden volgen.
Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 2 mei 2012 alsnog ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.