De Belastingdienst/Toeslagen stelde bij besluit van 2 juli 2013 de kinderopvangtoeslag over 2008 voor appellant vast op nihil en vorderde terugbetaling van het uitbetaalde voorschot. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze besluiten, maar zowel de rechtbank als de Raad van State verklaarden deze ongegrond.
De kern van het geschil betrof de vraag of appellant kon aantonen dat de kinderopvang plaatsvond op basis van een schriftelijke overeenkomst zoals vereist in artikel 52 vanPro de Wet kinderopvang, gelezen in samenhang met artikel 11, derde lid, van de Regeling Wet kinderopvang. De door appellant overgelegde overeenkomst ontbrak essentiële gegevens zoals de prijs per uur en het aantal uren opvang, waardoor deze niet voldeed aan de wettelijke eisen.
De Raad van State bevestigde dat zonder een overeenkomst die aan deze eisen voldoet geen aanspraak op kinderopvangtoeslag bestaat. Het betoog van appellant dat andere stukken de ontbrekende gegevens konden vervangen, werd verworpen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de kinderopvangtoeslag bevestigd.
Uitspraak
201404518/1/A2.
Datum uitspraak: 3 december 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 23 april 2014 in zaak nr. 14/26 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Belastingdienst/Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 2 juli 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [appellante] over 2008 toekomende kinderopvangtoeslag vastgesteld op nihil en bepaald dat zij het uitbetaalde voorschot dient terug te betalen.
Bij besluit van 28 november 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 april 2014 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
Met toestemming van partijen heeft de Afdeling afgezien van behandeling van de zaak ter zitting en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: Wko) is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) van toepassing.
Ingevolge artikel 5, eerste lid, heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem te betalen kosten, indien de opvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau plaatsvindt.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:
1º. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,
2º. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en
3º. de soort kinderopvang.
Ingevolge artikel 52 geschiedtPro kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de ouder en de houder.
Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Awir verstrekt een belanghebbende de Belastingdienst/Toeslagen desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.
Ingevolge artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling Wet kinderopvang (hierna: Regeling) bevat de administratie van een gastouderbureau afschriften van alle met de vraagouders overeengekomen schriftelijke overeenkomsten, vermeldende per overeenkomst de voor de gastouderopvang te betalen prijs per uur en, indien van toepassing, de bemiddelingskosten, naam, geboortedatum, adres, postcode en woonplaats van het kind, het aantal uren gastouderopvang per kind per jaar, evenals de duur van de overeenkomst.
2. Aan het besluit van 28 november 2013 heeft de Belastingdienst/Toeslagen ten grondslag gelegd dat [appellante] niet heeft aangetoond dat de kinderopvang op basis van een overeenkomst, als bedoeld in artikel 52 vanPro de Wko, heeft plaatsgevonden. Verder heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich op het standpunt gesteld dat [appellante] niet heeft aangetoond dat zij kosten voor kinderopvang heeft gehad.
3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat zij niet heeft aangetoond dat de kinderopvang op basis van een overeenkomst, als bedoeld in artikel 52 vanPro de Wko, heeft plaatsgevonden. In de door haar overgelegde akte ontbreken weliswaar gegevens, maar deze zijn kenbaar uit andere door haar overgelegde stukken. De rechtbank heeft niet onderkend dat de Belastingdienst/Toeslagen deze ten onrechte niet bij zijn besluitvorming heeft betrokken, aldus [appellante].
3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in haar uitspraak van 19 oktober 2011 in zaak nr. 201102492/1/H2) bestaat geen aanspraak op kinderopvangtoeslag, indien geen overeenkomst, als bedoeld in artikel 52 vanPro de Wko, de basis voor de opvang vormt. Ingevolge deze bepaling, gelezen in verbinding met artikel 18, eerste lid, van de Awir, moet degene die aanspraak op de toeslag maakt aan de hand van een schriftelijke overeenkomst met de houder van een gastouderbureau aantonen dat de opvang krachtens zodanige overeenkomst plaatsvindt.
Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in haar uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2014 in zaak nr. 201308683/1/A2) valt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling af te leiden dat bedoeld is dat onderzocht kan worden of de aanspraak van de ouder op en de hoogte van de overheidsbijdrage overeenkomt met de overeenkomst die de ouder heeft gesloten (Stcrt. 6 oktober 2004, nr. 192, blz. 6). Dit betekent dat de ouder, om aanspraak op kinderopvangtoeslag te kunnen maken, inzicht dient te geven in de met het gastouderbureau gemaakte afspraken over de kinderopvang door een akte van een overeenkomst over te leggen, waaruit die afspraken blijken. Gelet hierop, dient de overeenkomst, bedoeld in artikel 52 vanPro de Wko, anders dan [appellante] stelt, in elk geval de gegevens, vermeld in artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling, te bevatten, zoals de rechtbank ook heeft overwogen. Door aldus te overwegen heeft de rechtbank het betoog ter zitting van [appellante], dat artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling niet is gericht tot vraagouders, maar alleen tot kindercentra en gastouderbureaus, terecht verworpen.
Reeds omdat in de door [appellante] overgelegde akte van de overeenkomst tussen haar en het gastouderbureau de te betalen prijs per uur en het aantal uren gastouderopvang per jaar ontbreken, voldoet de overeenkomst niet aan de in artikel 52 vanPro de Wko, gelezen in verbinding met artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling, gestelde eisen. Dit betekent dat de door [appellante] overgelegde overeenkomst niet kan dienen tot bewijs van de stelling, dat de kinderopvang op basis van een overeenkomst heeft plaatsgevonden.
3.2. Anders dan [appellante] betoogt, volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 23 april 2014 in zaak nr. 201302292/1/A2 niet dat het ontbreken van een overeenkomst, als bedoeld in artikel 52 vanPro de Wko, niet aan de vraagouder kan worden tegengeworpen als de Belastingdienst/Toeslagen uit andere door de vraagouder overgelegde stukken de ontbrekende gegevens kan afleiden. In het geval waarover de Afdeling in genoemde uitspraak heeft geoordeeld, had de Belastingdienst/Toeslagen over de periode januari tot en met augustus 2008 aanvaard dat de opvang op basis van een overeenkomst, als bedoeld in artikel 52 vanPro de Wko, had plaatsgevonden. Nu niet in geschil was dat de kinderopvang nadien ongewijzigd was voortgezet en dat de vraagouder voor de opvang de door hem gestelde en te verantwoorden kosten heeft gemaakt, kon de Belastingdienst/Toeslagen zich niet op het standpunt stellen dat aan de opvang geen overeenkomst ten grondslag lag. Voor een dergelijk oordeel biedt het onderhavige geval geen aanknopingspunten.
3.3. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] over 2008 geen aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag en hij derhalve terecht het uitbetaalde voorschot van [appellante] heeft teruggevorderd.
Het betoog faalt.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, griffier.