ECLI:NL:RVS:2014:4385
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- C.J. Borman
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank en ongegrondverklaring beroep vreemdeling tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees op 1 mei 2014 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 5 juni 2014 het beroep gegrond verklaarde en het besluit vernietigde. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De staatssecretaris betoogde dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd, omdat het slechts verwees naar het afwijzende besluit voor de moeder van de vreemdeling en onvoldoende inging op het eigen relaas van de vreemdeling. De vreemdeling stelde dat zijn problemen niet alleen samenhingen met die van zijn moeder, maar dat hij zelf ook was gearresteerd en mishandeld.
De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris terecht had vastgesteld dat de problemen van de vreemdeling het gevolg waren van die van zijn moeder en dat het relaas van de vreemdeling niet los van dat van zijn moeder kon worden beoordeeld. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat het besluit ondeugdelijk was gemotiveerd. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van zijn verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard.