Het college van burgemeester en wethouders van Schinnen wees het verzoek van appellant af om vergoeding van de vervoerskosten van zijn dochter naar de St. Jan Baptistschool. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellant ongegrond en deze uitspraak werd in hoger beroep door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigd.
Appellant voerde aan dat de St. Jan Baptistschool de dichtstbijzijnde toegankelijke school is vanwege de specifieke sociale en psychische behoeften van zijn dochter, en dat de Parkschool niet aan deze behoeften voldoet. De Raad van State oordeelde dat de Parkschool wel degelijk een school is van de soort waarop de dochter is aangewezen en daarmee een toegankelijke school is volgens de verordening. De voorkeur van appellant voor een kleinere school leidt niet tot een andere beoordeling.
Verder stelde appellant dat het college onredelijk was in het weigeren van vergoeding gelijk aan die voor vervoer naar de Parkschool. De Raad van State vond dat het college aannemelijk had gemaakt dat het vervoer naar de Parkschool reeds in natura wordt verzorgd met geringe meerkosten, waardoor vergoeding niet noodzakelijk is.
Ten slotte betoogde appellant dat het college op grond van bijzondere omstandigheden had moeten afwijken van de verordening. De Raad van State vond dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de Parkschool de ontwikkeling van zijn dochter belemmert en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die afwijking rechtvaardigen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitspraak
201306046/1/A2.
Datum uitspraak: 12 februari 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Oirsbeek, gemeente Schinnen,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 4 juni 2013 in zaak nr. 12/1316 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Schinnen.
Procesverloop
Bij besluit van 21 december 2011 heeft het college een verzoek van [appellant] om vergoeding van de kosten van vervoer van zijn [dochter] naar de St. Jan Baptistschool afgewezen.
Bij besluit van 6 juli 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 juni 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 januari 2014, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. F.E.L. Teerling, advocaat te Heerlen, is verschenen.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra (hierna: Wec) wordt het speciaal onderwijs verdeeld in onderwijs aan:
[…]
j. zeer moeilijk lerende kinderen;
[…].
Ingevolge artikel 2, vierde lid, worden met betrekking tot de onderwijssoorten, genoemd in het tweede lid, de volgende clusters onderscheiden:
[…]
c. cluster 3: onderwijs aan langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap, lichamelijk gehandicapte kinderen en zeer moeilijk lerende kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps.
[…].
Ingevolge artikel 4, eerste lid, verstrekt het college ten behoeve van het schoolbezoek aan ouders van in de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag bekostiging van de door het college noodzakelijk te achten vervoerskosten.
Ingevolge artikel 1, aanhef en onder l, van de Verordening leerlingenvervoer gemeente Schinnen 2009 wordt verstaan onder toegankelijke school voor speciaal onderwijs: de school van de soort waarop de leerling is aangewezen.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, wordt de bekostiging van de vervoerskosten toegekend over de afstand tussen de woning en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school.
Ingevolge artikel 29 kanPro het college in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs aangaande, ten gunste van de ouders afwijken van de bepalingen in deze verordening, zo nodig na advies te hebben gevraagd aan de permanente commissie leerlingenzorg, de commissie van begeleiding, de regionale verwijzingscommissie of andere deskundigen.
2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat niet de Parkschool te Sittard, maar de St. Jan Baptistschool de dichtstbijzijnde toegankelijke school is. Daartoe voert hij aan dat de Parkschool eerder niet tegemoet kon komen aan de sociale en psychische beperkingen van zijn zoons en dat [dochter] diezelfde beperkingen heeft. Voor [dochter] is een kleinere en persoonlijke setting noodzakelijk. Dit blijkt ook uit de brief van de Commissie van Begeleiding van de St. Jan Baptistschool, aldus [appellant].
2.1. Onder verwijzing naar de uitspraak van 28 november 2012, in zaak nr. 201202489/1/A2, www.raadvanstate.nl, overweegt de Afdeling dat het aan de ouders is om aannemelijk te maken dat de dichtstbijzijnde school niet toegankelijk is. [dochter] is aangewezen op onderwijs voor zeer moeilijk lerende kinderen. De rechtbank heeft, onweersproken in hoger beroep, overwogen dat zowel de St. Jan Baptistschool als de Parkschool scholen voor zeer moeilijk lerende kinderen zijn. De Parkschool is derhalve van de soort waarop [dochter] is aangewezen en is daarmee, gelet op artikel 1, aanhef en onder l, van de Verordening, een voor haar toegankelijke school. Dat [appellant] de St. Jan Baptistschool een betere school voor [dochter] acht, maakt niet dat daarmee de Parkschool niet als toegankelijke school kan worden aangemerkt. De brief van de Commissie van Begeleiding leidt niet tot een ander oordeel, nu daaruit slechts blijkt dat [appellant] een negatieve ervaring heeft met de Parkschool en bewust heeft gekozen voor een kleinere school en dat de Commissie van Begeleiding meent dat overplaatsing naar een andere school ertoe zou kunnen leiden dat haar achterstand in ontwikkeling zou toenemen.
Het betoog faalt.
3. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij niet gehouden is bekostiging toe te kennen die gelijk staat aan de bekostiging van en naar de Parkschool. [appellant] voert daartoe aan dat hij recht heeft op bekostiging van het vervoer naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school.
3.1. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het ingevolge artikel 3 vanPro de Verordening niet gehouden is tot vergoeding van de kosten van het vervoer naar de Parkschool aan [appellant], aangezien dat vervoer reeds in natura wordt verzorgd en [dochter] derhalve voor het vervoer naar de Parkschool tegen voor het college geringe meerkosten gebruik zou kunnen maken van een bestaande vervoersvoorziening. Het college heeft in het verweerschrift in hoger beroep aannemelijk gemaakt dat de meerkosten gering zijn, omdat er reeds een taxibus, waarin nog plaats is, naar de Parkschool rijdt en in de nabije omgeving van het woonhuis van [appellant] twee andere kinderen wonen die ook van deze taxibus gebruik maken.
Het betoog faalt.
4. [appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank heeft miskend dat het college met toepassing van artikel 29 vanPro de Verordening daarvan had moeten afwijken, omdat het voorliggende geval bijzonder is, aangezien [dochter] een school moet bezoeken die haar belemmert.
4.1. [appellant] heeft niet met stukken aannemelijk gemaakt dat de Parkschool [dochter] in haar ontwikkeling zou belemmeren. De in 2.1 vermelde brief van de Commissie van Begeleiding is daartoe onvoldoende. Het college heeft daarentegen verwezen naar de schoolgids van de Parkschool, waarin is vermeld dat de groepsdeler van het onderwijs aan zeer moeilijk lerende kinderen 12 is en niet 30, zoals [appellant] heeft gesteld. Reeds daarom bestaat geen grond voor het oordeel dat het voorliggende geval dermate bijzonder is dat het college had moeten afwijken van de Verordening.
5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Poot, ambtenaar van staat.