ECLI:NL:RVS:2014:4567
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongerechtvaardigde last onder dwangsom wegens asbestverontreiniging op perceel
Het college van gedeputeerde staten van Drenthe legde aan appellant een last onder dwangsom op wegens het niet uitvoeren van een sanering van asbestverontreiniging op zijn perceel te Westerbork, in strijd met artikel 13 van Pro de Wet bodembescherming (Wbb).
Appellant voerde aan dat het ging om een historische verontreiniging en niet om een nieuw geval, dat de graafwerkzaamheden niet in de buurt van het asbesthoudende pad plaatsvonden en dat het college onvoldoende onderzoek had gedaan naar de ernst en spoed van de sanering. Tevens stelde appellant dat de dwangsommen onevenredig hoog waren en dat de invordering onrechtmatig was omdat de last nog niet onherroepelijk was.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college terecht aannam dat de graafwerkzaamheden asbest die eerder aan de oppervlakte lag, in de bodem hebben gebracht en verspreid, waardoor de zorgplicht van artikel 13 Wbb Pro van toepassing is. De sanering was niet uitgevoerd conform het plan van aanpak, waardoor de overtreding voortduurde. De hoogte van de dwangsommen was proportioneel en de invordering was rechtsgeldig, ook zonder onherroepelijkheid van de last. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom en de invordering van de dwangsommen wordt ongegrond verklaard.