ECLI:NL:RVS:2014:4694
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- A. Hammerstein
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Beëindiging schulddienstverlening wegens niet-doelmatigheid bevestigd in hoger beroep
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft bij besluit van 4 april 2013 aan appellant medegedeeld dat de schulddienstverlening, bestaande uit budgetbeheer, met ingang van 10 april 2013 wordt beëindigd. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college op 24 mei 2013 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant niet-ontvankelijk omdat budgetbeheer niet met terugwerkende kracht mogelijk zou zijn.
Appellant stelde dat hij belang had bij een oordeel over de rechtmatigheid van het besluit omdat voortzetting van budgetbeheer noodzakelijk is voor toelating tot de wettelijke schuldregeling. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk verklaarde en heeft het hoger beroep gegrond verklaard.
De Afdeling heeft vervolgens inhoudelijk beoordeeld of het college terecht heeft besloten de schulddienstverlening te beëindigen. Het college stelde dat budgetbeheer alleen doelmatig is indien op korte termijn een schuldregeling kan worden getroffen. Omdat een minnelijke schuldregeling niet was bereikt en toelating tot de wettelijke schuldregeling door het hof was afgewezen, kon budgetbeheer niet doelmatig worden voortgezet.
De Afdeling achtte deze beleidslijn niet kennelijk onredelijk en concludeerde dat uit het arrest van het hof niet blijkt dat toelating tot de wettelijke schuldregeling op korte termijn mogelijk is. Daarom verklaarde zij het beroep ongegrond en vernietigde het vonnis van de rechtbank. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellant terugbetaald.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de schulddienstverlening wordt ongegrond verklaard en het besluit van het college bevestigd.