ECLI:NL:RVS:2014:50
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.B.M. Hent
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vernietiging boetebesluit wegens onrechtmatige oplegging en vergoeding immateriële schade
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde appellante een boete van €88.000 op wegens overtredingen van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Appellante maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, waarna zij beroep instelde bij de rechtbank Noord-Nederland. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, herzag de boete naar €79.200 en verving het besluit.
Zowel de minister als appellante stelden hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de boete ten onrechte was opgelegd omdat de werkzaamheden van de stagiairs niet in strijd waren met de Wav, mede gelet op eerdere uitspraken over soortgelijke stagiairs. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden, waarvoor de minister aansprakelijk was.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep van appellante gegrond en dat van de minister niet-ontvankelijk. Het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank werden vernietigd. De minister werd veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van €1.000 aan appellante voor immateriële schade, alsmede tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. De uitspraak trad in de plaats van het vernietigde besluit.
Uitkomst: Het boetebesluit wordt vernietigd en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade en proceskosten aan appellante.