ECLI:NL:RVS:2014:58
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid van beroepen tegen afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
Bij besluiten van 6 september 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel aanvragen van twee vreemdelingen om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen. Tegen deze besluiten verklaarde de minister op 22 juni 2012 de bezwaren van de vreemdelingen ongegrond. De vreemdelingen stelden beroep in bij de rechtbank, die op 7 mei 2013 hun beroepen gegrond verklaarde en de besluiten vernietigde.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De kern van het geschil betrof de vraag of er sprake was van een gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro tussen de vreemdelingen, waaronder een minderjarige geboren in Nederland, en de referent. De staatssecretaris betoogde dat de vreemdelingen onvoldoende bewijs hadden geleverd dat vreemdeling 2 daadwerkelijk de dochter was van vreemdeling 1 en de referent, en dat het gezinsleven feitelijk werd ingevuld.
De Raad van State oordeelde dat de vreemdelingen niet met objectief verifieerbare bewijsstukken konden aantonen dat vreemdeling 2 hun dochter was, en dat ook het gestelde gezinsleven niet aannemelijk was gemaakt. Bovendien konden nieuwe stukken die pas in hoger beroep waren overgelegd niet worden betrokken omdat zij niet tijdig waren ingediend. De Raad verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde de beroepen van de vreemdelingen ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en de beroepen van de vreemdelingen tegen de afwijzing van hun verblijfsvergunning worden ongegrond verklaard.