ECLI:NL:RVS:2014:619
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- G. van der Wiel
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid bezwaar tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdelingen
De minister van Buitenlandse Zaken wees op 26 maart 2012 de aanvragen van meerdere vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na een bezwaarprocedure verklaarde de minister het bezwaar ongegrond. De rechtbank Den Haag oordeelde echter dat het besluit niet in stand kon blijven wegens schending van artikel 7:2, eerste lid, van de Awb en vernietigde het besluit.
De minister, inmiddels vertegenwoordigd door de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De staatssecretaris voerde aan dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het besluit niet in stand kon blijven, omdat er sprake was van tegenstrijdigheden in verklaringen van de vreemdelingen en de referente, die niet waren weersproken in het bezwaarschrift. De rechtbank had volgens de staatssecretaris onvoldoende rekening gehouden met het feit dat van horen mocht worden afgezien op grond van artikel 7:3 Awb Pro.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat het hoger beroep gegrond was en vernietigde het vonnis van de rechtbank. Vervolgens toetste de Afdeling het besluit van 19 september 2012 zelf en oordeelde dat de tegenstrijdigheden in verklaringen relevant waren voor de beoordeling van de feitelijke gezinsband. De Afdeling vond dat de staatssecretaris terecht van de jonge leeftijd van de vreemdeling kon verwachten dat hij eenvoudige vragen kon beantwoorden en dat de medische situatie van de referente onvoldoende was onderbouwd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen tegen de afwijzing van hun machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.