ECLI:NL:RVS:2014:785

Raad van State

Datum uitspraak
27 februari 2014
Publicatiedatum
5 maart 2014
Zaaknummer
201307358/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.G.J. Parkins-de Vin
  • E. Steendijk
  • J.J. van Eck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vw 2000Art. 7:12 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit uitstel vertrek vreemdeling wegens ondeugdelijke motivering

De vreemdeling had een aanvraag ingediend om krachtens artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft. De minister wees dit aanvankelijk af, waarna de staatssecretaris op bezwaar uitstel van vertrek verleende van 10 januari 2013 tot 10 januari 2014. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit ongegrond.

De vreemdeling stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris het uitstel ongemotiveerd vanaf de datum van het besluit kon toepassen, zonder te onderzoeken of eerdere medische omstandigheden aanleiding gaven tot uitstel. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het besluit van 10 januari 2013 ondeugdelijk was gemotiveerd omdat de staatssecretaris niet had toegelicht waarom het uitstel pas vanaf die datum werd verleend.

De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 10 januari 2013, en verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht aan de vreemdeling. Hiermee werd het besluit wegens strijd met artikel 7:12 van Pro de Algemene wet bestuursrecht vernietigd.

Uitkomst: Het besluit van 10 januari 2013 wordt vernietigd wegens ondeugdelijke motivering en het beroep van de vreemdeling wordt gegrond verklaard.

Uitspraak

201307358/1/V3.
Datum uitspraak: 27 februari 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 16 juli 2013 in zaak nr. 13/1689 in het geding tussen:
de vreemdeling, mede voor haar minderjarige kind,
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 23 augustus 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen.
Bij besluit van 10 januari 2013 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar gegrond verklaard en haar uitstel van vertrek verleend van 10 januari 2013 tot en met 10 januari 2014. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 16 juli 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.
2. In de enige grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de staatssecretaris heeft kunnen volstaan met het ongemotiveerd toepassen van artikel 64 van Pro de Vw 2000 met ingang van de datum van het inwilligende besluit. De rechtbank had de staatssecretaris moeten opdragen te onderzoeken of de medische omstandigheden van de vreemdeling op een eerder moment tot toepassing van artikel 64 van Pro de Vw 2000 aanleiding hadden moeten geven, aldus de vreemdeling.
2.1. Uit de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2014 in zaak nr. 201306759/1/V1 volgt dat de staatssecretaris moet motiveren waarom hij in dit concrete geval, na afweging van alle betrokken belangen, vasthoudt aan het beleid dat een vreemdeling niet eerder uitstel van vertrek wordt verleend dan met ingang van de datum van het verleningsbesluit. Nu de staatssecretaris niet heeft gemotiveerd waarom hij de vreemdeling met ingang van 10 januari 2013 uitstel van vertrek heeft verleend, is het besluit van 10 januari 2013 ondeugdelijk gemotiveerd.
De grief slaagt.
3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op het vorenoverwogene, het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 10 januari 2013 alsnog gegrond verklaren en dit besluit wegens strijd met artikel 7:12 van Pro de Awb vernietigen.
4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 16 juli 2013 in zaak nr. 13/1689;
III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 10 januari 2013, kenmerk 272-601-2670;
V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.461,00 (zegge: veertienhonderdeenenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI. gelast dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de vreemdeling het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 395,00 (zegge: driehonderdvijfennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, ambtenaar van staat.
w.g. Parkins-de Vin w.g. Van Leeuwen
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2014
53.