AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake weigering verblijfsvergunning en schending privéleven
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel op 8 mei 2012 werd afgewezen. Tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt, dat op 22 juni 2012 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het bezwaarbesluit, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand.
De vreemdeling ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. Zij stelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat geen schending van het recht op eerbiediging van het privéleven volgens artikel 8 EVRMPro had plaatsgevonden. De vreemdeling voerde aan dat zij sinds haar jeugd in Nederland woont, hier haar gehele schoolopleiding volgde en daardoor sterke banden met Nederland heeft. Tevens stelde zij dat de keuze van haar pleegmoeder om haar naar Nederland te halen niet zonder meer aan haar toegerekend kan worden.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris bij de belangenafweging onvoldoende rekening had gehouden met de jeugdige leeftijd bij aankomst, de lange verblijfsduur en het ontbreken van contact met familie in Suriname. Hierdoor was het besluit onvoldoende gemotiveerd en was het oordeel van de rechtbank onjuist. Het hoger beroep werd gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover de rechtsgevolgen van het bezwaarbesluit in stand waren gelaten.
De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht aan de vreemdeling. Hiermee werd het belang van een zorgvuldige belangenafweging onder artikel 8 EVRMPro benadrukt bij weigering van verblijfsvergunningen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover de rechtsgevolgen van het bezwaarbesluit in stand zijn gelaten.
Uitspraak
201307712/1/V1.
Datum uitspraak: 27 februari 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 24 juli 2013 in zaak nr. 12/20727 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 8 mei 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
Bij besluit van 22 juni 2012 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 24 juli 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: zijn rechtsvoorganger.
2. In de grieven klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van schending van het recht op eerbiediging van het privéleven als bedoeld in artikel 8 vanPro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). De vreemdeling betoogt onder meer dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij op jonge leeftijd naar Nederland is gekomen, hier haar vormende jaren heeft doorgebracht en sinds 1999, vanaf haar zevende jaar, onderwijs heeft gevolgd en daardoor sterk geworteld is geraakt in de Nederlandse samenleving. Voorts betoogt zij, onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Butt tegen Noorwegen, van 4 december 2012, nr. 47017/09, (www.echr.coe.int), dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de keuze van haar pleegmoeder om haar naar Nederland te halen, in beginsel aan haar is toe te rekenen, maar dat daarop in bijzondere omstandigheden een uitzondering geldt, zodat de staatssecretaris het handelen van de pleegmoeder ten onrechte als één van de voornaamste elementen bij de in het kader van artikel 8 vanPro het EVRM gemaakte belangafweging heeft betrokken.
2.1. Zoals volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 13 november 2013 in zaak nr. 201112108/1/V2 en zaak nr. 201207970/1/V3 heeft de staatssecretaris bij de in het kader van artikel 8 vanPro het EVRM gemaakte belangenafweging ten onrechte niet betrokken dat, nu de pleegmoeder van de vreemdeling voor haar verblijfsrecht niet afhankelijk is van het verblijfsrecht van de vreemdeling en er derhalve geen risico op misbruik bestaat, de in beginsel aan de vreemdeling toe te rekenen keuze van haar pleegmoeder om haar naar Nederland te laten komen en hier te laten verblijven zonder verblijfsrecht, in dit geval geen doorslaggevend element in de te verrichten belangenafweging vormt. De staatssecretaris heeft weliswaar onderkend dat voor het aannemen van schending van het in artikel 8 vanPro het EVRM neergelegde recht op eerbiediging van het privéleven in dit geval geen verblijfsduur van rond de dertig jaar is vereist, maar dit laat onverlet dat de staatssecretaris ten onrechte slechts heeft beoordeeld of sprake is van zeer langdurig verblijf, onzekerheid over de verblijfstatus en objectieve belemmeringen om zich in Suriname te vestigen. Hij heeft nagelaten in het bijzonder de omstandigheid dat de vreemdeling - gelet op de jeugdige leeftijd waarop zij naar Nederland is gekomen en haar verblijfsduur sindsdien alsmede de omstandigheid dat zij haar gehele schoolopleiding in Nederland heeft gevolgd - moet worden geacht zeer sterke banden met Nederland te hebben, bij de door hem te verrichten belangenafweging te betrekken. De staatssecretaris heeft eveneens nagelaten de omstandigheid dat de vreemdeling sinds haar vertrek uit Suriname daar nimmer is teruggekeerd en zij geen contact meer heeft met haar aldaar wonende ouders, bij zijn belangenafweging te betrekken.
Nu de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris gezien het voorgaande niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de weigering de vreemdeling vrij te stellen van het vereiste over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf te beschikken geen schending van het in artikel 8 vanPro het EVRM neergelegde recht op eerbiediging van het privéleven betekent, heeft de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het besluit van 22 juni 2012 in stand gelaten.
De grieven slagen.
3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 22 juni 2012 in stand heeft gelaten.
4. De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 24 juli 2013 in zaak nr. 12/20727, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel van 22 juni 2012, in stand zijn gelaten;
III. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IV. gelast dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de vreemdeling het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 239,00 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van staat.