ECLI:NL:RVS:2014:826
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- C.J. Borman
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank en ongegrondverklaring beroep vreemdeling inzake uitzettingsbesluit
De vreemdeling had bij de minister voor Immigratie en Asiel een verzoek ingediend op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 om te bepalen dat uitzetting achterwege blijft. Dit verzoek werd op 8 februari 2011 afgewezen en het bezwaar daarop werd op 31 mei 2012 ongegrond verklaard. De rechtbank ’s-Gravenhage verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de staatssecretaris een nieuw besluit te nemen.
Zowel de vreemdeling als de staatssecretaris gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het hoger beroep van de vreemdeling kennelijk ongegrond was, terwijl het hoger beroep van de staatssecretaris kennelijk gegrond was. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
De Afdeling overwoog dat de staatssecretaris niet tekort was geschoten in zijn vergewisplicht, mede omdat de vreemdeling zijn nationaliteit niet aannemelijk had gemaakt. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat de vergewisplicht niet was nagekomen. Tevens wees de Afdeling erop dat de vreemdeling bij een eventuele toekomstige uitzetting nog een nieuwe aanvraag of bezwaar kan indienen.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2014.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.