ECLI:NL:RVS:2014:831
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- A. Hammerstein
- F.C.M.A. Michiels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing schadevergoeding omzetderving door aanleg Noord-Zuidlijn
De erven van een overleden advocaat hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, waarin het beroep tegen het niet toekennen van een vergoeding voor omzetderving in verband met de aanleg van de Noord-Zuidlijn werd afgewezen. De rechtbank had een deskundigenonderzoek laten uitvoeren door de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB), die concludeerde dat er geen causaal verband bestond tussen de geluidsoverlast en trillinghinder en de omzetderving.
De erven stelden dat het geschil zich beperkte tot de wijze van berekening van de omzetderving en dat de rechtbank ten onrechte de StAB had ingeschakeld voor een breder onderzoek. Ook voerden zij aan dat de rapporten van de StAB niet zorgvuldig tot stand waren gekomen en dat de bewijslast wegens het overlijden van hun voorganger verlicht moest worden. De Raad van State oordeelde echter dat de rechtbank terecht het causaal verband aan de StAB had voorgelegd en dat de rapporten zorgvuldig waren opgesteld.
Verder werd geoordeeld dat de verklaringen over het vertrek van een medewerker en het minder werken van de advocaat onvoldoende aannemelijk maakten dat deze gevolgen direct aan de aanleg van de Noord-Zuidlijn waren toe te schrijven. De rechtbank had terecht geconcludeerd dat geen rechtstreeks causaal verband bestond en dat het verzoek om schadevergoeding daarom niet toegewezen hoefde te worden.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de schadevergoeding voor omzetderving bevestigd.