ECLI:NL:RVS:2014:925
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- R. van der Spoel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep staatssecretaris inzake uitzettingsbesluit vreemdeling met verblijfsvergunning
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank die het bezwaar van een vreemdeling tegen een afwijzing van een verzoek om uitzetting achterwege te laten, gegrond verklaarde. De vreemdeling had aanvankelijk een afwijzing ontvangen op zijn aanvraag op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, maar kreeg later een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de vreemdeling met deze verblijfsvergunning rechtmatig verblijf heeft en daarom niet kan worden uitgezet. Hierdoor ontbreekt de staatssecretaris aan belang bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. De rechtbank had eerder geoordeeld dat de staatssecretaris ten onrechte geen advies had gevraagd aan het Bureau Medische Advisering, maar dit oordeel is nu irrelevant door het rechtmatig verblijf van de vreemdeling.
De Afdeling verklaart het hoger beroep dan ook niet-ontvankelijk en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten en griffierecht. De uitspraak is gedaan door de voorzitter en leden van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 12 maart 2014.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang.