ECLI:NL:RVS:2014:945
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H. Troostwijk
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid beroep vreemdeling tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel Sudan
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees op 26 maart 2013 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de voorzieningenrechter ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd dat de vreemdeling bij terugkeer in Sudan geen reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM Pro. De staatssecretaris had terecht het tijdsverloop tussen de aanval op het dorp van de vreemdeling en zijn vertrek uit Sudan als aanzienlijk beoordeeld en de geloofwaardigheid van zijn verklaringen betwijfeld.
Voorts stelde de Afdeling vast dat de vreemdeling afkomstig is uit West-Darfur, waar volgens het beleid geen situatie bestaat die bescherming op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vreemdelingenwet 2000 rechtvaardigt. De Afdeling vernietigde het vonnis van de voorzieningenrechter en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 13 maart 2014.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van zijn verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard.