ECLI:NL:RVS:2014:988
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongeldigverklaring rijbewijs wegens niet-rechtmatig verblijf vreemdeling
De burgemeester verklaarde het rijbewijs van appellant, een Iraanse vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijft, ongeldig op grond van artikel 124 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 in verbinding met artikel 111, derde lid, van die wet. Appellant stelde dat het besluit in strijd was met artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) vanwege ongerechtvaardigde discriminatie en dat hij gerechtvaardigd vertrouwen had opgebouwd omdat zijn rijbewijs eerder was vernieuwd.
De voorzieningenrechter vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat het onderscheid tussen vreemdelingen die wel en niet rechtmatig verblijven een redelijke en objectieve rechtvaardiging kent. Het rijbewijs was kennelijk abusievelijk afgegeven en ongeldigverklaring is een passend middel om het doel van de wet te bereiken.
De Raad van State verwierp het beroep van appellant, oordeelde dat het eerdere afgeven van het rijbewijs geen gerechtvaardigd vertrouwen schept en dat bijzondere omstandigheden geen ruimte bieden voor afwijking. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de ongeldigverklaring van het rijbewijs bevestigd.