ECLI:NL:RVS:2015:1006
Raad van State
- Prejudicieel verzoek
- B.J. van Ettekoven
- G.M.H. Hoogvliet
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Prejudicieel verzoek over reikwijdte begrip installatie en brandstofverlies bij emissiehandel
EPZ exploiteert een kerncentrale en kolencentrale en verzocht de NEa om toestemming voor een significante wijziging van het monitoringplan om een correctiefactor van 1,6% toe te passen voor logistieke verliezen zoals verwaaiing, broei en stookwaardevermindering. De NEa weigerde dit omdat volgens haar de Monitoringverordening geen ruimte biedt voor aftrek van brandstofverlies door broei en stookwaardevermindering.
EPZ betoogde dat broei-emissies niet onder het ETS vallen omdat deze buiten de installatie plaatsvinden en dat de kolenopslag niet tot de installatie behoort. De NEa stelde dat het kolenpark wel onderdeel is van de installatie vanwege de technische en functionele samenhang.
De Afdeling bestuursrechtspraak concludeerde dat het begrip 'installatie' in de ETS-richtlijn niet eenduidig is en dat de interpretatie van het begrip 'brandstof die de installatie verlaat' in artikel 27 van Pro de Monitoringverordening onduidelijk is. Daarom stelde zij prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de reikwijdte van het begrip installatie en de uitleg van brandstofverlies door broei.
De behandeling van het beroep werd geschorst totdat het Hof uitspraak heeft gedaan. De zaak betreft de juiste toepassing van het emissiehandelssysteem en de monitoring van broeikasgasemissies bij kolenopslag en -verbranding.
Uitkomst: Behandeling beroep geschorst en prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie over de uitleg van 'installatie' en 'brandstof die de installatie verlaat'.