ECLI:NL:RVS:2015:1015
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling in vreemdelingenbewaring onterecht vastgehouden wegens onvoldoende risico op toezichtontduiking
De vreemdeling werd op 17 juni 2014 in vreemdelingenbewaring gesteld vanwege een vermoeden dat hij zich aan het toezicht zou onttrekken in het kader van een overdracht op grond van de Dublinverordening. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
In hoger beroep stelde de vreemdeling dat hij geen significant risico liep om zich aan het toezicht te onttrekken, onder meer omdat hij eerder succesvol aan België was overgedragen, hij een vast adres in België had en hij had verklaard mee te willen werken aan zijn uitzetting. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat er een significant risico bestond.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de maatregel van bewaring alleen gerechtvaardigd is als er een concreet risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht onttrekt en dat het opnieuw inreizen van Nederland na een eerdere overdracht niet als toezichtontduiking binnen Nederland kan worden gezien.
Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, en het beroep van de vreemdeling alsnog gegrond verklaard. Tevens werd een schadevergoeding toegekend voor de periode van bewaring en werden proceskosten aan de vreemdeling toegekend.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt gegrond verklaard en het besluit tot vreemdelingenbewaring vernietigd met toekenning van schadevergoeding.