ECLI:NL:RVS:2015:1078
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- A. Hammerstein
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Herstel schulddienstverlening na intrekking hoger beroep tegen beëindiging
Appellant woonachtig te Rotterdam kreeg op 5 november 2012 te horen dat het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam de schulddienstverlening aan hem beëindigde. Hiertegen maakte appellant bezwaar, dat op 25 januari 2013 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank Rotterdam, die dit beroep op 7 mei 2014 niet-ontvankelijk verklaarde. Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Tijdens de zitting op 10 december 2014 werd het geschil behandeld. De Afdeling gaf bij tussenuitspraak van 31 december 2014 het college de opdracht het besluit van 5 november 2012 te heroverwegen. Het college kwam appellant tegemoet door bij besluit van 25 februari 2015 het bezwaar gegrond te verklaren en de schulddienstverlening voort te zetten.
Hierop trok appellant het hoger beroep in en verzocht de Afdeling het college te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De Afdeling oordeelde dat het college met de gegrondverklaring van het bezwaar inderdaad aan appellant tegemoet was gekomen en veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. De uitspraak werd op 8 april 2015 openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het college is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht na heroverweging en voortzetting van de schulddienstverlening.