ECLI:NL:RVS:2015:1079

Raad van State

Datum uitspraak
8 april 2015
Publicatiedatum
8 april 2015
Zaaknummer
201405439/1/A3
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wet openbaarheid van bestuurArt. 7:15 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van afwijzing bezwaar tegen gedeeltelijke weigering openbaarmaking informatie

Appellant verzocht het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam om openbaarmaking van bepaalde informatie. Het college wees dit verzoek gedeeltelijk af bij een ongedateerd besluit. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, waarna het college alsnog de gevraagde documenten openbaar maakte en een proceskostenvergoeding toekende. Vervolgens verklaarde het college het bezwaar tegen het ongedateerde besluit niet-ontvankelijk.

De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant tegen deze niet-ontvankelijkverklaring ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hij voerde aan dat het college het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk had verklaard en dat het ongedateerde besluit had moeten worden herroepen.

De Afdeling oordeelde dat het college het ongedateerde besluit in zoverre had herroepen door alsnog de documenten openbaar te maken en dat appellant een proceskostenvergoeding had ontvangen. Hierdoor ontbrak het appellant aan belang bij vernietiging van het besluit tot niet-ontvankelijkverklaring. Ook de verzoeken tot vergoeding van proceskosten en wettelijke rente werden afgewezen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

201405439/1/A3.
Datum uitspraak: 8 april 2015
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [plaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 mei 2014 in zaak nr. 13/5946 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.
Procesverloop
Bij ongedateerd besluit heeft het college een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van informatie gedeeltelijk afgewezen.
Bij brief van 5 april 2013 heeft [appellant] hiertegen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 16 mei 2013 heeft het college, naar aanleiding van het door [appellant] gemaakte bezwaar, alsnog de gevraagde documenten openbaar gemaakt.
Bij besluit van 7 augustus 2013 heeft het college het door [appellant] tegen het ongedateerde besluit gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en aan [appellant] een proceskostenvergoeding toegekend voor het indienen van een bezwaarschrift.
Bij uitspraak van 13 mei 2014 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
Partijen hebben toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), om in het geding uitspraak te doen zonder zitting.
Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.
Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe voert hij aan dat er door het tijdig in bezwaar verzoeken om vergoeding van de proceskosten procesbelang aanwezig was. Het college had zijn ongedateerde besluit moeten herroepen, nu met het bij besluit van 16 mei 2013 openbaar maken van documenten tegemoet is gekomen aan het door hem gemaakte bezwaar. Om die reden had de rechtbank het besluit van 7 augustus 2013 moeten vernietigen, aldus [appellant].
3. Door bij het besluit van 16 mei 2013 alsnog documenten openbaar te maken heeft het college het ongedateerde besluit in zoverre herroepen. Voorts heeft het college bij besluit van 7 augustus 2013 aan [appellant] een proceskostenvergoeding toegekend voor het indienen van een bezwaarschrift. Nu het ongedateerde besluit is herroepen en aan [appellant] een proceskostenvergoeding is toegekend, heeft hij geen belang bij een oordeel over de vraag of het college zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank heeft dit niet onderkend, doch zij heeft, zij het op andere gronden, terecht geconcludeerd dat geen aanleiding bestond het besluit van 7 augustus 2013 in zoverre te vernietigen. Het betoog kan derhalve niet leiden tot het ermee beoogde doel.
4. Voor zover [appellant] de Afdeling heeft verzocht om het college te veroordelen in de door hem gemaakte kosten in verband met het bijwonen van de hoorzitting in bezwaar en tot schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente over het bedrag aan proceskosten in bezwaar tot de dag der algehele voldoening, wordt overwogen dat de rechtbank in de overwegingen van de aangevallen uitspraak is ingegaan op de desbetreffende beroepsgronden. [appellant] heeft in hoger beroep geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist, dan wel onvolledig zou zijn. Er bestaat derhalve ook in zoverre geen aanleiding voor vernietiging van de aangevallen uitspraak.
5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Nell, griffier.
w.g. Borman w.g. Nell
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2015
597.