ECLI:NL:RVS:2015:1092
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen boete voor overtreding Wet arbeid vreemdelingen wegens verhuur kapperstafels
De minister legde appellante een boete van €72.000 op wegens het laten verrichten van arbeid door vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning. De vreemdelingen waren van Ghanese nationaliteit en werkten in de kapsalon van appellante.
Appellante stelde dat de vreemdelingen zelfstandige ondernemers waren die kapperstafels huurden en dat zij slechts verhuurder was, niet werkgever. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellante ging in hoger beroep.
De Raad van State oordeelde dat de minister onvoldoende had aangetoond dat appellante werkgever was in de zin van de Wet arbeid vreemdelingen. De vreemdelingen hadden eigen ondernemingen, huurden kapperstafels, bepaalden zelf hun werktijden, klanten en prijzen, en gebruikten eigen materialen. De boete werd daarom vernietigd en het hoger beroep gegrond verklaard.
De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht aan appellante. Het hoger beroep tegen het deel van de uitspraak over de betalingsregeling werd niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: De boete van €72.000 wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen wordt vernietigd omdat appellante geen werkgever was.