ECLI:NL:RVS:2015:1110
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende motivering bij afwijzing verblijfsvergunning beschermenswaardig gezinsleven
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, die het beroep van een vreemdeling tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd gegrond verklaarde. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom de vreemdeling geen beschermenswaardig gezinsleven kon aantonen en dat het gelijkheidsbeginsel niet juist was toegepast.
De staatssecretaris voerde in hoger beroep aan dat de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat een gezinsband automatisch leidt tot een beschermenswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro. Tevens stelde hij dat de situatie van de vreemdeling niet vergelijkbaar was met die van zijn zuster, die wel een verblijfsvergunning had gekregen, omdat de kinderen van de vreemdeling niet bij hem woonden en hij hen pas later had erkend en omgang had aangevraagd.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank niet had onderkend dat de staatssecretaris in zijn besluiten wel degelijk had aangenomen dat er sprake was van gezinsleven, maar dat de intensiteit daarvan relevant was voor de belangenafweging. De Afdeling vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en wees de zaak terug voor een nieuwe beoordeling met inachtneming van de overwegingen over het beschermenswaardig gezinsleven en het gelijkheidsbeginsel. Tevens stelde de Afdeling de proceskosten in hoger beroep vast en bepaalde dat de rechtbank over de vergoeding daarvan beslist.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.