ECLI:NL:RVS:2015:1145
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en opheffing vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting naar Marokko
De vreemdeling werd op 30 januari 2015 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel op 25 februari 2015 ongegrond. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat sinds 14 oktober 2014 geen laissez passer meer worden afgegeven door de Marokkaanse autoriteiten, wat samenhangt met het voornemen van de Nederlandse regering om het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid met Marokko op te zeggen. Ondanks inspanningen van de staatssecretaris om medewerking te verkrijgen, zijn geen concrete aanknopingspunten gegeven dat de medewerking op korte termijn zal worden hervat.
Hierdoor ontbreekt het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn, hetgeen strijdig is met artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel van vreemdelingenbewaring is daarom onrechtmatig. De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank, en heft de bewaring op. Tevens wordt een vergoeding toegekend aan de vreemdeling en worden proceskosten aan de staatssecretaris opgelegd.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens ontbreken van zicht op uitzetting naar Marokko en de vreemdeling krijgt een vergoeding toegekend.