ECLI:NL:RVS:2015:1147

Raad van State

Datum uitspraak
2 april 2015
Publicatiedatum
8 april 2015
Zaaknummer
201502476/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging verlenging bewaringsmaatregel vreemdeling wegens ontbreken zicht op uitzetting

De vreemdeling had tegen het verlengingsbesluit van 20 februari 2015, waarbij de bewaringsmaatregel met maximaal twaalf maanden werd verlengd, beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling overwoog dat sinds 9 december 2014 het zicht op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn ontbreekt. Hierdoor is de voortzetting van de bewaringsmaatregel vanaf 23 februari 2015 onrechtmatig. De grief van de vreemdeling slaagt dan ook en het hoger beroep wordt gegrond verklaard.

De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep van de vreemdeling tegen het verlengingsbesluit wordt alsnog gegrond verklaard. De vrijheidsontnemende maatregel wordt opgeheven met ingang van de dag van de uitspraak. Tevens wordt aan de vreemdeling een vergoeding toegekend over de periode van onrechtmatige vrijheidsontneming en worden de proceskosten van de vreemdeling vergoed.

Uitkomst: De verlenging van de bewaringsmaatregel wordt vernietigd en de vrijheidsontnemende maatregel opgeheven met vergoeding aan de vreemdeling.

Uitspraak

201502476/1/V3.
Datum uitspraak: 2 april 2015
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 maart 2015 in zaak nr. 15/4193 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 20 februari 2015 is de termijn van de aan de vreemdeling opgelegde bewaringsmaatregel verlengd met ten hoogste twaalf maanden (hierna: het verlengingsbesluit). Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 23 maart 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. In de enige grief klaagt de vreemdeling dat, samengevat weergegeven, de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko niet ontbreekt.
2. Zoals volgt uit de uitspraken van de Afdeling van heden in zaken nrs. 201500942/1/V3 en 201501797/1/V3 ontbreekt met ingang van 9 december 2014 het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko. Hieruit volgt dat de bewaring met ingang van 23 februari 2015, zijnde de ingangsdatum van het verlengingsbesluit, onrechtmatig is.
De grief slaagt.
3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 20 februari 2015 alsnog gegrond verklaren. De vrijheidsontnemende maatregel dient te worden opgeheven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 23 februari 2015 tot heden, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.
4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 maart 2015 in zaak nr. 15/4193;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV. bepaalt dat de vrijheidsontnemende maatregel krachtens artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 ingaande heden wordt opgeheven;
V. kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 3.040,00 (zegge: drieduizend veertig euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
VI. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.715,00 (zegge: zeventienhonderdvijftien euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, griffier.
w.g. Lubberdink w.g. Bechinka
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2015
371-722.