ECLI:NL:RVS:2015:1166
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens intrekking besluit verblijfsvergunning asiel
Bij besluit van 16 juni 2014 wees de staatssecretaris de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 23 september 2014 ongegrond verklaarde. De vreemdeling ging vervolgens in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Tijdens de procedure deelde de staatssecretaris bij brief van 25 februari 2015 mee dat de vreemdeling niet binnen de gestelde termijn aan de Italiaanse autoriteiten was overgedragen, zoals vereist door de Dublinverordening. Hierdoor werd het oorspronkelijke besluit van 16 juni 2014 ingetrokken en zou de aanvraag inhoudelijk worden behandeld. De vreemdeling zag geen aanleiding het hoger beroep in te trekken.
De Afdeling oordeelde dat door het intrekken van het besluit het hoger beroep wegens het ontbreken van belang niet-ontvankelijk was. Tevens werd overwogen dat de staatssecretaris aan de vreemdeling was tegemoetgekomen, wat een grond vormde voor een proceskostenveroordeling. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €1.470,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €1.470,00.