ECLI:NL:RVS:2015:1209
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.W.M. Bijloos
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep vreemdeling wegens ontbreken belang en proceskostenvergoeding
De vreemdeling was op 16 februari 2015 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, kende schadevergoeding toe en veroordeelde de staatssecretaris in de proceskosten. Tegen deze uitspraak stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overweegt ambtshalve dat het doel van het beroep, het opheffen van de bewaring en het verkrijgen van schadevergoeding, reeds was bereikt doordat de bewaring op 23 februari 2015 werd opgeheven en volledige schadevergoeding en proceskostenvergoeding waren aangeboden. Hierdoor ontbrak belang bij verdere behandeling van het beroep, zodat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk had moeten verklaren.
De vreemdeling klaagde dat de rechtbank ten onrechte de staatssecretaris niet veroordeelde in de kosten voor het verschijnen ter zitting. De Afdeling oordeelt dat, gelet op de tegemoetkoming van de staatssecretaris en het feit dat de rechtbank het beroep ter zitting behandelde, de staatssecretaris wel veroordeeld moet worden tot vergoeding van deze proceskosten.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep niet-ontvankelijk en veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 1.470,00 aan proceskosten voor de rechtsbijstand van de vreemdeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van belang en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding van € 1.470,00.