ECLI:NL:RVS:2015:1255
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- N. Verheij
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens misbruik van recht bij openbaarmaking verkeersboetestukken
De zaak betreft een hoger beroep van een appellant tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar beroep door de rechtbank Rotterdam, inzake een verzoek om openbaarmaking van documenten over een aan haar opgelegde verkeersboete. De minister had het bezwaar tegen het besluit op het Wob-verzoek kennelijk ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat sprake was van misbruik van recht door de gemachtigde van appellant, die op gestandaardiseerde wijze vele Wob-verzoeken en ingebrekestellingen inzake verkeersboetes indiende.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het hoger beroep behandeld en overwogen dat het verzoek om openbaarmaking bewust als Wob-verzoek was ingediend, ondanks dat de stukken ook op grond van andere bestuursrechtelijke bepalingen verkregen hadden kunnen worden. De gemachtigde had het CJIB-nummer niet vermeld, ondanks verzoeken daartoe, wat vertraging veroorzaakte en leidde tot het verbeuren van dwangsommen. De handelwijze van de gemachtigde was gericht op het incasseren van dwangsommen en proceskostenvergoedingen, wat kwalificeert als misbruik van recht.
De Afdeling bevestigt dat zwaarwegende gronden vereist zijn voor niet-ontvankelijkverklaring wegens misbruik van recht, maar acht die hier aanwezig gelet op de kwade trouw en het doel van de verzoeken. De handelingen van de gemachtigde worden aan appellant toegerekend omdat zij hem heeft gemachtigd. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd met verbetering van de motivering. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens misbruik van recht bevestigd.