ECLI:NL:RVS:2015:1289
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid weigering verblijfsvergunning en inreisverbod voor vreemdelingen en hun kinderen
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie had bij besluiten van 26 juli 2013 de aanvragen van drie vreemdelingen om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen, vreemdelingen 2 en 3 bevolen Nederland te verlaten en een inreisverbod tegen hen uitgevaardigd. De vreemdelingen maakten bezwaar tegen deze besluiten, welke door de staatssecretaris ongegrond werden verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde.
De Raad van State overwoog dat de staatssecretaris terecht had geoordeeld dat de vreemdelingen nooit rechtmatig verblijf hadden gehad en dat het belang van een restrictief toelatingsbeleid zwaarwegend is. De kinderen van vreemdelingen 2 en 3, geboren en getogen in Nederland, zijn weliswaar geworteld, maar dit is inherent aan langdurig verblijf en vormt geen bijzondere omstandigheid. De terugkeer naar Turkije met hun ouders, die daar eerder woonden, en de mogelijkheid om de Turkse taal en cultuur op te pakken, wegen mee.
De Raad concludeerde dat de belangenafweging van de staatssecretaris in overeenstemming is met artikel 8 EVRM Pro en dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het privéleven van de kinderen werd geschonden. Het hoger beroep van de staatssecretaris is gegrond, het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep van de vreemdelingen wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdelingen ongegrond verklaard.